Grote kop in de krant: dreigende leegstand in studentenwoningen! Aan Nijestee-bestuurder Pieter Bregman de vraag hoe het nu verder moet de jongerenhuisvesting in 050. Stoppen met initiatieven, zoals de manifestatie BouwJong? Zijn conclusie: vooral doorgaan op de ingeslagen weg.

De woonsituatie van jongeren – en die van studenten in het bijzonder – was deze zomer volop in het nieuws. Eerst de alarmerende kop in het Dagblad van het Noorden: ‘groot aanbod studentenkamers’. Zelfs het woord ‘leegstand’ viel,
bij monde van grootverhuurder Wim Bulten. Niet veel later een artikel in de Volkskrant, met de strekking dat studenten in Utrecht de dure, nieuwgebouwde studentenwoning links laten liggen. Ze zouden weer kiezen voor goedkoop en dan maar met minder kwaliteit. Laatste bericht, van recente datum: de bouw van studentenwoningen loopt – landelijk gezien – ver achter op schema.

Wat moeten we hier nu van maken, van al deze berichtgeving?

Bregman: ‘De afspraken die wij met de gemeente hebben gemaakt over de bouw van in totaal 4.500 jongerenwoningen zijn gebaseerd op onderzoeken uit 2009 en 2011. Daaruit blijkt een nog steeds groeiende vraag. Met een belangrijke kanttekening: alle vraag is kwalitatief. Het gaat dus niet om “aantallen” sec – het getal van 4.500 is in die zin vooral een politiek getal –  maar om de wens beter te gaan wonen. In ons geval: dichterbij de binnenstad en de universiteit. Dat geldt voor alle vier groepen die we moeten bedienen: thuiswoners uit het ommeland, thuiswoners uit het buitenland, huidige bewoners in bestaande panden en de postgraduates.

Wat we wel zien, is dat – mede door de invloed van de economie – de vraag naar luxere, duurdere woningen afneemt. Maar dat geldt voor de gehele woningmarkt. Kijk hoe heel Haren momenteel te koop staat, maar onze verkoop van goedkopere woningen als een zonnetje loopt.’

 

Wat betekent deze laatste ontwikkeling voor het bouwprogramma van Nijestee?

‘We onderzoeken momenteel of we het aandeel zelfstandige woningen voor jongeren zullen terugschroeven, ter faveure van de niet-zelfstandige woning. Wel een eigen douche en toilet, maar ook een gemeenschappelijke keuken. En daarmee wel kwaliteit maar een lagere huurprijs.’

Hoe beoordeelt u de dreigende leegstand in de bestaande studentenwoningenvoorraad?

‘Laten we niet vergeten dat meneer Bulten een belang heeft in deze; hij heeft zo’n 1.200 kamers – nota bene: kamers – in deze stad in eigendom. Hij ondervindt nu de nodige concurrentie in zijn prijssegment en daar moeten we – denk ik – blij om zijn. In een situatie van kamernood betalen studeren vaak te veel voor te weinig kwaliteit. Dat daar nu verandering in komt, is geen slechte zaak. Wij gaan in ieder geval door op de ingeslagen weg: nieuwbouw in overzichtelijke aantallen van zo’n 100 woningen – met de nadruk op woningen – per project. Recent hebben we daarmee aan de Hofstede de Grootkade (ontwerp: Oving) en in de jongerentoren Planck (ontwerp: ZOFA) weer nieuwbouw toegevoegd. De belangstelling voor beide was uitstekend. Overigens is dat geen automatisme: de Groningse markt is nu eenmaal veel onvoorspelbaarder dan die van pakweg Drachten. Veel hangt af van de jaarlijkse instroom van jongeren en die wordt ook beïnvloed door zaken als de OV-jaarkaart en de beschikbaarheid van huursubsidie. Daar hebben wij dus als opdrachtgever weinig invloed op, maar je moet dat goed monitoren.’

Conclusie die we mogen trekken: niet in paniek raken en vooral blijven bouwen?

‘Niets doen is geen optie. Door de nieuwbouw slagen we erin de leefstijlconflicten die er in bepaalde buurten tussen studenten en andere bewoners te dempen. Daar moeten we dus zeker mee doorgaan. Maar we moeten ook beseffen dat de bevolkingskrimp rond Groningen hard doorzet. Daar komen minder jongeren vandaan in de komende jaren. Daarentegen groeit de belangstelling uit het buitenland. Daar hebben wij als stad in verschillende opzichten veel belang bij. Die mensen kijken echter vooral of het hier leuk is en of ze hier aangenaam kunnen wonen, voor een betaalbare prijs. We zullen dus ons stinkende best moeten doen om Groningen in het buitenland op de kaart te zetten. Wij leveren daar een bijdrage aan, vanuit een visie op de stad op de langere termijn. Maar ook marktpartijen worden steeds actiever in dit segment van de markt; dat zien we in het westen steeds vaker gebeuren. Er is vraag genoeg aan de onderkant van de woningmarkt.’

Kees de Graaf is stadsgeograaf, freelance tekstschrijver [Studio Platz] en correspondent voor gebiedsontwikkeling.nu en ArchiNed. Hij blogt voor Roeg en Roem over architectuur, stedenbouw en gebiedsontwikkeling in dorp en stad.

Bekijk al onze bloggers