De laatste maanden klinkt steeds vaker de roep om de aardbevingsproblematiek in Groningen op een regionale, integrale en inclusieve manier aan te gaan pakken. Vooral nu de schadeafhandeling en versterkingsopgave stilliggen en de Raad van State oordeelde dat het gasbesluit over moet. Zo opteerde de PvdA voor een Nationaal Plan Aardbevingen, riep minister Wiebes Groningers op om met een toekomstvisie te komen, en startte tijdschrift Noorderbreedte het initiatief #TypischGronings om op zoek te gaan naar de Groningse identiteit. Roeg & Roem sloot zich hierbij aan met de oproep van Nathalie de Vries en Fred Schoorl in Trouw om tot een kwaliteitsplan te komen voor de hele regio. In hun treffende opiniestuk wordt het programma Ruimte voor de Rivier als inspirerend voorbeeld gegeven van deze aanpak. Maar wat is Ruimte voor de Rivier? Waarmee was het succesvol? En welk gehanteerd gereedschap kunnen we ook in Groningen gebruiken? Ruben Bouwman onderzocht het programma namens de Rijksuniversiteit Groningen en geeft een aantal concrete voorbeelden.

Na een aantal extreem hoge waterstanden in de jaren ’90 besloot de toenmalige regering dat het hoog tijd was om Nederland te beschermen tegen toekomstige overstromingen in het rivierengebied. In plaats van het traditioneel verhogen van dijken koos men er voor om de rivieren juist meer ruimte te geven. Deze benadering betekende een breuk met het beleid uit het verleden: ‘leven met het water’ in plaats van ‘vechten tegen het water’. Of, zoals Eric Luiten (destijds Rijksadviseur voor Landschap en Water) het omschrijft in een interview met de NOS: ‘Judo, niet boksen, was het devies’. Tal van innovatieve maatregelen als ontpoldering, uiterwaardvergraving en hoogwatergeulen zijn uitgevoerd binnen 34 projecten, die nu – 10 jaar later – bijna allemaal zijn afgerond (zie de website van Ruimte voor de Rivier voor meer informatie over de projecten).

Een dubbele doelstelling: een veiliger én mooier rivierengebied

Naast deze beleidsomslag kreeg het programma ook een unieke dubbelopdracht: het vergroten van de waterveiligheid én het versterken van de ruimtelijke kwaliteit (gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde) in het rivierengebied. Een technische, noodzakelijke veiligheidsmaatregel ging zo hand in hand met gebiedsontwikkeling van natuur, toerisme en landbouw, en er werd rekening gehouden met cultuurhistorische waarden van het landschap. Volgens Eric Luiten zorgde dit voor meer draagvlak voor de soms ingrijpende maatregelen: “Als je toch aan de gang gaat, kun je regionale belangen beter een zetje meegeven dan tegenwerken. De mogelijke weerstand werd ondervangen met de vraag: wat kunnen we voor u doen? Dat is je wisselgeld.”

Het bijbehorende motto was: decentraal wat kan, centraal wat moet. Decentrale overheden, zoals gemeenten en provincies, kregen zoveel mogelijk de leiding en traden op als gebiedsregisseur om lokaal maatwerk te kunnen leveren. Tegelijkertijd hield de programmadirectie van Rijkswaterstaat centraal de touwtjes in handen via strikte en uniforme procedures, en nam het – afhankelijk van lokale behoeften – verschillende rollen in. Deze verschillende manieren van werken en rollen binnen de projecten en het programma zijn door de Rijksuniversiteit Groningen in opdracht van Rijkswaterstaat geëvalueerd in een uitgebreid onderzoeksrapport. Hieronder een aantal concrete voorbeelden.

Interactieve sessies met de omgeving

Excursies, schetsschuiten, brainstormsessies, ontwerpateliers… allerlei gebruikte benamingen voor bijeenkomsten die vooral gedurende de planfase van projecten werden georganiseerd voor overheden, belanghebbenden en experts. In deze sessies mocht men letterlijk ‘de stift pakken en mee-tekenen’ aan ontwerpen, waarin (lokale) kennis, belangen en visies van verschillende belanghebbenden samenkwamen. Hierdoor ontstonden kwalitatief hoogwaardige, integrale én breed gedragen plannen waarmee projecten de uitvoeringsfase in konden gaan.

De ontwerper als spil in het gebiedsproces

Binnen deze interactieve sessies was een belangrijke rol weggelegd voor de ontwerper, vaak een landschapsarchitect. Hij was niet alleen verantwoordelijk voor het leveren van een product, zoals een ontwerp, maar was ook een onmisbare schakel in het gehele proces en de communicatie met de omgeving. Zo schoof de landschapsarchitect regelmatig aan bij keukentafelgesprekken met bewoners en agrariërs om plannen uit te leggen of om te adviseren. Daarmee werd de landschapsarchitect gezien als ‘verbinder’ van verschillende disciplines en belangen, en ‘vertaler’ van verschillende beleidstalen, om deze vervolgens te visualiseren in concrete ontwerpplannen.

Het werken met Kwaliteitsteams

Door de centrale programmadirectie werd van begin af aan een onafhankelijk, multidisciplinair kwaliteitsteam opgericht om de (ruimtelijke) kwaliteit te borgen binnen de projecten en het programma. Dit team werd voorgezeten door de Rijksadviseur voor Landschap en Water en bestond uit een ecoloog, stedenbouwkundige, fysisch geograaf, rivierkundige en landschapsarchitect. Daarnaast koos men binnen een aantal projecten voor een lokale variant, bijvoorbeeld als tegenhanger van het landelijke kwaliteitsteam om lokale kennis en kunde meer te benutten. Deze kwaliteitsteams bezochten de projecten op verwachte en onverwachte momenten, toetsten de ontwerpen, en brachten op basis hiervan gevraagd en ongevraagd advies uit. Op deze manier werden projecten geholpen door een deskundige en onafhankelijke jury, die met een helikopterview naar de projecten en het programma keek, en ervoor zorgde dat iedereen altijd scherp bleef.

Naast de hierboven genoemde voorbeelden is de gereedschapskist van Ruimte voor de Rivier nog verder gevuld met andere handigheidjes, zoals de keuze voor een bepaalde contractvorm of om ‘leefkwaliteit’ ook als aanbestedingscriterium mee te nemen. Zie hiervoor het complete onderzoeksrapport en het daarop gebaseerde artikel in ROmagazine. Tegelijkertijd zijn ze lang niet allemaal relevant en zeker niet 1-op-1 toe te passen in Groningen. Het is vooral belangrijk om eerst goed te inventariseren wat er allemaal al bestaat aan ideeën, initiatieven en visies in de regio, en belanghebbenden (weer) aan tafel te krijgen. Vanaf dat moment kan Ruimte voor de Rivier inspireren in het samenwerken tussen Rijk en regio en de ‘dubbele doelstelling’ om Groningen weer veilig én leefbaar te maken.

Ruben is cultureel geograaf, heeft als onderzoeker gewerkt bij de faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de RUG, en werkt nu als Adviseur Samenlevingsopbouw bij Vaart Welzijn in Assen.

Bekijk al onze bloggers