Geschreven door: Karin Peeters

Waar moet het naar toe met Noord-Nederland? Na het boek LILA van Gert de Roo in 2007, blijken er maar weinig nieuwe overkoepelende ideeën. De Roo verleidde de ruimtelijke denkers van het Noorden met een onderscheidend noordelijk perspectief van ontspannen wonen en verpozen in aantrekkelijke landschappen als contramal en verdienmodel van de ‘razende Randstad’. Ondertussen kent het Noorden veel nieuwe uitdagingen zoals verdergaande krimp, aardbevingen en door de crisis terug gelopen ruimtelijke ontwikkelingen. Na al die jaren vond ik het daarom interessant toen Floris Alkemade als nieuwbakken Rijksbouwmeester het essay De emancipatie van de periferie publiceerde. Hierin pleit hij voor meer aandacht voor de periferie.

Een nieuw perspectief voor het Noorden

Net als De Roo laat Alkemade zien dat het stedelijke niet zonder het buitengebied kan als producent van voedsel, energie en leverancier van ontspanning. Daarbij wordt geconstateerd dat de periferie, waaronder Noord-Nederland, niet wezenlijk anders reageert op maatschappelijke ontwikkelingen zoals digitalisering en robotisering dan de Randstad. In beide gebieden hebben deze technologische ontwikkelingen immers dezelfde sturende krachten: meer en meer vanuit huis kunnen werken, winkelen, recreëren en onderwijs volgen. En vanuit diezelfde woning een waardige oude dag kunnen meemaken via gedecentraliseerde zorg. Dit denken biedt ook voor het Noorden een nieuw perspectief. Want waarom zou je in hemelsnaam nog in de ‘razende Randstad’ wonen als je in en vanuit huis dezelfde voorzieningen kunt aanboren? En je via een zelfsturende auto je reistijd kunt ombuigen tot werktijd? Mooi denk- en gespreksvoer voor toekomstvisies, omgevingsvisies dunkt me.

Meer dan een proeftuin

In tegenstelling tot de Randstad hebben we hier in de relatieve luwte volop ruimte om hiermee te experimenteren. Tegelijkertijd staan steeds meer noordelingen collectief of individueel op om een voortrekkersrol in deze innovatie te spelen. Omdat we er energie van krijgen én omdat we met minder middelen domweg meer voor elkaar krijgen. Ook de Rijksbouwmeester ziet in de periferie een proeftuin voor experimenten. Hier is het immers zoveel makkelijker dan in de hogedrukpan van de Randstad. Alex van de Beld (Archined febr. 2017) benadrukt in zijn reactie op deze retoriek echter de noordelijke kwaliteiten zoals duisternis, openheid en stilte. Terecht wijst hij ons erop dat we ‘ons kind’ met dergelijke experimenten niet met het badwater moeten weggooien.

Noodzaak tot nieuwe verbanden en samenwerkingen

De complexiteit van de uitdagingen waar we nu voor staan is echter niet alleen ruimtelijk. En een sectorale benadering per provincie is daarmee ook niet logisch. Het vraagt samenwerking en afstemming tussen de sociale, culturele en economische domeinen en duurzame beleidsvorming. Dat vergt een brede blik, kunnen luisteren, verbanden kunnen leggen en gedeelde belangen kunnen vinden. Dat vergt naast specialisten ook generalisten, een nieuw gezamenlijk vocabulaire, de wil om te blijven leren. Van elkaar, maar met name van wat ons bindt in dit Noorden. Want de beweeglijkheid die de wereld in deze moderne tijd kenmerkt kan alleen worden bestendigd wanneer we ook rekening houden met de belangen en overtuigingen van de honkvaste, trotse en stugge Friezen, Groningers en Drentenaren.

Samen weet je meer

Het is om die reden dat ik jarenlang als aanjager van Stichting de Noorderstroom energie heb gestoken in de organisatie van bijeenkomsten die het vakgebied verbreedde. Het is ook daarom dat ik een initiatief als Roeg & Roem en een blad als Noorderbreedte een warm hart toedraag. Dat ik tijd steek in de het denken over een nieuw curriculum en in meer integrale werkplekken voor ‘de architect van de toekomst’, die beter aansluit op de vragen die de toekomst brengen gaat. En dat ik meediscussieer wanneer er iets in mijn dorp gaande is.

Zo’n tijdinvestering en co-operatieve houding verwacht ik ook van de overheden in het Noorden. Hier kan en moet je als overheid niet op bezuinigen. Daarom hoop ik dat de noordelijke gemeenten niet alleen tijdens het opstellen van een Omgevingsvisie de integrale afweging en het interactieve debat opzoeken, maar ook daarna. Daarmee kunnen ze hun eigen positie en rol overstijgen en de kracht van het integrale denken in de organisatie brengen. Dat is niet eng: dat maakt het werk zoveel leuker!

Dit essay is geschreven door Karin Peeters op verzoek van Roeg & Roem. Karin adviseert en ontwerpt in velerlei sociaal-ruimtelijke vraagstukken van overheden en (maatschappelijke) organisaties in Noord-Nederland. Karin heeft een achtergrond als stedenbouwkundig ontwerper en in de stadssociologie. Twee werkvelden die zij met veel plezier en kruisbestuivingen sinds 2009 inzet vanuit TERRITORIA.  Gestoeld op de overtuiging dat ruimtelijke vragen altijd een sociaal-maatschappelijke impact en achtergrond hebben, neemt Karin de sociale aspecten (en mensen!) altijd graag mee in het ontwerpproces.

Vanuit TERRITORIA werkt ze momenteel aan opgaven rond herstructurering en krimp,  inpassing brede scholen, gebiedsvisies en ontmoetingsplekken in de dorpen en wijken. Daarnaast is ze RvC lid bij woningbouwvereniging Lyeamer Wonen.

Volgens Dien maak je plannen niet achter je bureau. Daarom gaat ze graag op pad om te horen en zien wat er speelt in de noordelijke roemte. Ze heeft haar eigen studio voor sociaal ruimtelijke vraagstukken en werkt sinds 2015 als projectleider bij Roeg & Roem. Dien verbindt en prikkelt en denkt graag buiten gebaande paden.

Bekijk al onze bloggers