Ontwerpen met impact, middenin een wemelende jaren 70 woonwijk. Is dat anders dan ontwerpen ‘voor de mooi’? Ja, ontdekten we. In deze blog delen we met jullie onze worstelingen, ontdekkingen en welke tips en inzichten ons verder helpen, tijdens de module Shared Space Beijum van de Academie van Bouwkunst in Groningen.

Ontwerpen met impact

In blog deel 1 schreef ik hoe zestien studenten van de Academie van Bouwkunst neerstreken in de Groningse wijk Beijum. Ze keken rond, luisterden naar bewoners en werken nu elk aan een fictief ontwerp voor een bouwwerk in deze wijk. Leuk, én moeilijk! Want iets kan een mooi idee zijn, maar waarom eigenlijk? Is jouw idee echt voor mensen van belang, of vind je het vooral zelf interessant? En als jouw idee van betekenis kan zijn, welk gereedschap heb je dan om dit te bereiken? Tijd voor wat inspiratie van elders, óp naar onze hoofdstad. Want daar is alles net wat groter, complexer en dus genoeg om van te leren.

Wat hebben Beijum en de Bijlmer gemeen?

Deze wijken hebben vast en zeker meer verschillen dan overeenkomsten. Maar één ding hebben ze gemeen: de architectuur in beide wijken is opgezet met een sociaal doel. Het achterliggende idee was in de jaren 60/70 dat mensen recht hebben op een rustige groene woonomgeving, zonder verkeer, met een strikte scheiding tussen wonen en werken. Of dit idee heeft gewerkt, daarover is het laatste woord niet gezegd. Beide wijken kampten met een negatief imago, maar lijken die ook weer van zich af te schudden. De Kleiburgflat in de Bijlmer won met haar kluswoningen de Architectuurprijs en werd genomineerd voor het ‘gebouw van het jaar’. Er bestaat zelfs al een hippe Kleiburg bierbrouwerij. De wijk Beijum staat bekend als de ‘groenste wijk van Nederland’, de koopwoningen zijn steeds populairder. Twee sociaal ontworpen wijken, waarbij dit voor beiden ups en downs heeft betekend. Wat is de invloed van de architect destijds hierop geweest? En hoe ver reikt deze invloed?

Wat is sociaal ontwerpen?

Filosoof Jacob Voorthuis schrijft in zijn 10 geboden voor social design: Effect driven design is een ontwerpende houding waarbij je niet slechts het bedoelde gebruik probeert te ontwerpen, maar vooral ook rekening probeert te houden met een zo volledig mogelijke verzameling effecten die het product in interactie met zijn context teweeg zal brengen. Kortom, datgene dat wij op dit moment beschouwen als een gewenst effect, wil niet zeggen dat dit over tien, twintig jaar zo uitpakt, en zo wordt gezien. Om iets ‘goeds’ te ontwerpen wat in de toekomst ook nog ‘goed’ kan zijn, is er dus meer nodig dan de wijk ingaan, kijken en luisteren, zoals we deden tijdens het eerste atelier in Beijum. Maar wat dan? Welk gereedschap heb je als architect om te ontwerpen met impact? Hoe interessant zou het zijn om dit te vragen aan een groot architect, die op zijn 85ste jaar nog steeds werkzaam is als architect, en dus al vele effecten, bedoeld en onbedoeld, heeft zien optreden.

We vroegen het Herman Hertzberger

Bewapend met vragen schoven we aan op de koffie bij Herman Hertzberger. Op zijn met zonovergoten tekenaars-zolder, vlak achter de Albert Cuyp, geeft hij ons een ongezouten lesje sociale architectuur. Drie van zijn one-liners willen we met jullie delen, die wat ons betreft antwoord geven op de vraag ‘wat is sociaal ontwerpen’:

1.“Mooi maken is ‘niet-lelijk’ maken.”

Je ontwerp moet allereerst dienend zijn voor de mensen die er in gaan wonen/leven. Als de binnenkant functioneel en prettig is, en de buitenkant acceptabel, is het in principe geslaagd. Werk van binnen naar buiten, zorg voor interactie tussen de binnenkant van het gebouw en de omgeving erbuiten. Zo krijgt het gebouw een ‘smoel’. Kies niet de insteek om vooral een mooi of imposant gebouw te willen maken. Dan focus je je teveel op de buitenkant en dat levert vaak opvallende, maar misplaatste gebouwen op, zonder ziel. Je insteek moet zijn om te willen verbinden.

2. “Ontmoeting is overschat, het gaat om zien en gezien worden.

Alles lijkt de laatste tijd te draaien om ontmoeting. Maar zo ver reikt je invloed als architect niet. Waar je wél invloed op hebt, is op zien en gezien worden. Zowel binnen in het gebouw, als van binnen naar buiten en andersom. Dus geen dichte, anonieme plinten onder een flat. Zorg voor bewoning op de begane grond, liefst met grote ramen. Zorg áltijd voor leefruimte, buiten en binnen. Brede gangen, brede galerijen, brede stoepen. Waar verbinding is, kan ontmoeting ontstaan.

3. “Zoek altijd evenwicht, er is nooit één oplossing.”

Misschien wel de belangrijkste les van deze beroemde architect: schiet nooit door in een bepaalde richting. Dat neigt naar fascisme, zoals het werk van bijvoorbeeld Le Corbusier nu wel eens wordt gezien. De mensheid ontwikkelt zich, past zich aan, maar is nooit voorspelbaar. Zoek dus niet naar één oplossing voor één soort gebruik, maar zorg altijd voor een flexibel te gebruiken basisstructuur in je gebouwen. Zorg voor de juiste balans tussen verschillende uitgangspunten. Sta open voor ontwikkelingen, ga uitdagingen aan, experimenteer. Om flexibel te blijven denken heb je volgens Herman een volle spons (lees: goed gevulde hersenen) nodig. Lees, reis, kijk TV (minstens twee uur per dag volgens Herman), zoek je inspiratie op.

Terug naar Beijum

Over dat laatste punt gesproken, ook de architectuur van de Bijlmer was misschien wel wat doorgeschoten in een bepaalde richting. Dat is dan een verschil met de wijk Beijum, die is ontworpen volgens dertien deelplannen, elk door vier verschillende architecten uitgewerkt. Ook het tweede principe van Herman Hertzberger: zien en gezien worden, is in de wijk Beijum met haar hofjes-indeling goed mogelijk. Hoewel het straatbeeld nog wel wat opener en levendiger zou kunnen, volgens de studenten. En niet-lelijk, dat is ook aardig gelukt in Beijum, volgens de studenten. Nu is het aan de zestien studenten om hun volle spons leeg te wringen, en zelf een fictief ontwerp te maken met impact, nu én in de toekomst, voor de wijk Beijum. De ontwerpen zijn te bezichtigen in het laatste blog van deze serie: deel 3.

De module ‘Shared Place Beijum’ van de Academie van Bouwkunst wordt aangeboden door de Hanzehogeschool en wordt begeleid door gastdocenten Martine Drijftholt van Team 4 architecten en Marleen van der Werff van Participatie & co-creatie. Martine ontwierp als architect vele gebouwen en plekken met een maatschappelijk karakter. Marleen begeleidt maatschappelijke projecten en helpt om via een interactieve werkwijze aan te sluiten op het perspectief van bewoners en klanten.

Volgens Marleen komen de beste ideeën uit de mensen zelf. Vanuit deze insteek begeleidt ze veranderprocessen in onze woon- en werkomgeving. Ze is thuis in thema’s als wonen, openbare ruimte, voorzieningen, lokale zorg en leefbaarheid. Met haar bureau ‘participatie en co-creatie’ werkt ze voor verschillende opdrachtgevers.

Bekijk al onze bloggers